RFID-chips zijn chips die een zwak radiosignaal uitzenden, maar alleen als er een ontvanger (RFID-lezer) in de buurt is. Bij veel chips moet de lezer binnen dertig centimeter afstand zijn om het signaaltje te kunnen oppikken.
Iemands OV-chipkaart kun je dus niet op tien meter afstand uitlezen; je moet daarvoor tegen iemand aan staan.
RFID staat voor Radio Frequency Identification. Op de RFID-chip staat een ID-code: een getal van 128 bits (enen en nullen). Met die 128 bits kunnen getallen van maximaal 38 cijfers worden geschreven. Er zijn dus miljarden verschillende codes mogelijk.
De chip zendt slechts dit nummer uit. Wat de betekenis van dat nummer is, hangt af van de informatie die in een database aan dat nummer is gekoppeld. Voorbeeld: in de database van banken is te vinden dat een RFID-nummer staat voor een bankbiljet van vijftig euro met een serienummer. Als je zelf de chip van dit bankbiljet kunt uitlezen, weet je nog niks: op de chip staat geen informatie, maar alleen een nummer. Je moet dan ook nog achterhalen wat het nummer betekent.

